ECLI:NL:RBZWB:2023:9639

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2023
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
C/02/402252 / HA ZA 22-545
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • Römers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 30p lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging contractuele boete wegens niet-naleving zelfbewoningsplicht appartement

Laurentius heeft een appartement verkocht aan de gedaagde met een contractuele verplichting tot zelfbewoning en een verkoopverbod binnen een jaar. Laurentius stelt dat de gedaagde de woning niet zelf heeft bewoond en vordert betaling van een boete van €37.000 en buitengerechtelijke kosten. De gedaagde betwist dit en stelt dat hij er vrijwel altijd 's nachts verbleef.

De rechtbank oordeelt dat de gedaagde onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd om te bewijzen dat hij de woning zelf bewoonde. Laurentius heeft dit onderbouwd met een verklaring en gegevens van een woningadvertentie. De rechtbank gaat daarom uit van niet-naleving van de zelfbewoningsplicht en acht de boete in beginsel toewijsbaar.

Echter, de rechtbank vindt matiging van de boete op grond van redelijkheid en billijkheid op zijn plaats, omdat Laurentius geen schade heeft geleden, het geschil ontstond door een verzoek van de gedaagde om eerder te mogen verkopen, en het appartement uiteindelijk niet binnen een jaar werd doorverkocht. De boete wordt gematigd tot €5.000 plus rente, en de buitengerechtelijke kosten tot €625 plus rente. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank matigt de contractuele boete tot €5.000 en veroordeelt de gedaagde tot betaling hiervan en de buitengerechtelijke kosten.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/402252 / HA ZA 22-545
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 3 april 2023
in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
WONINGBOUWVERENIGING LAURENTIUS,
gevestigd te Breda,
eiseres,
advocaat mr. K.A.M. Jaspers,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. P.A. Kerkhof.
Partijen zullen hierna Laurentius en [gedaagde] genoemd worden.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ingevolge het vonnis van deze rechtbank van 21 december 2022.
Tegenwoordig zijn mr. Römers, rechter, en mr. Verheijen-van Gool, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen
  • van de zijde van Laurentius, mevrouw [makelaar 1] en mevrouw [makelaar 2] , verhuurmakelaars, bijgestaan door mr. Remmelts,
  • [gedaagde] in persoon, bijgestaan door mr. Kerkhof voornoemd.
Als toehoorders van de zijde van [gedaagde] zijn aanwezig zijn ouders en een oom.

1.Het verloop van de procedure

In deze zaak heeft vandaag een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De spreekaantekeningen van partijen en de aantekeningen van de zitting bevinden zich in het dossier. De rechter heeft daarna de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de rechter in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p, lid 3, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
Laurentius heeft een appartement verkocht aan [gedaagde] . De koopovereenkomst bevat een verplichting tot zelfbewoning en een verbod de woning binnen een jaar door te verkopen. Volgens Laurentius heeft [gedaagde] de woning niet zelf bewoond en vordert zij betaling van de contractuele boete van € 37.000 en buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] betwist dat hij de woning niet zelf heeft bewoond.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 26 van Pro de koopovereenkomst bevat onder meer de verplichting de woning zelf te bewonen. Laurentius heeft gesteld dat [gedaagde] zich hieraan niet heeft gehouden. Laurentius heeft dat onderbouwd met een verklaring van [naam 1] en de gegevens op funda toen [gedaagde] de woning nog te koop aanbood. [gedaagde] heeft betwist de woning niet zelf te hebben bewoond. Op de zitting heeft hij gezegd er vrijwel altijd ’s nachts te hebben verbleven. Juridisch is deze betwisting onvoldoende; [gedaagde] heeft geen concrete feiten gesteld en onderbouwd waaruit kan volgen dat hij er wel heeft gewoond. Het was mogelijk geweest een registratielijst van de elektronische toegangspas in het geding te brengen maar [gedaagde] heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Dan moet de rechtbank ervan uitgaan, dat [gedaagde] de woning niet zelf heeft bewoond.
3.2.
Aan de voorwaarde dat [gedaagde] in gebreke is gesteld is voldaan. Laurentius kan dus in beginsel aanspraak maken op de contractuele boete. Het beroep van Laurentius op het boetebeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Ook daarvoor geldt dat geen concrete feiten zijn gesteld op grond waarvan deze clausule buiten toepassing blijft.
3.3.
Wel ziet de rechtbank aanleiding de boete met toepassing van artikel 6:94 BW Pro te matigen, nu de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Van belang hierbij is, dat Laurentius op de zitting heeft verklaard geen schade te hebben geleden. De zaak is voorts ontstaan door een briefje van [gedaagde] waarin hij vraagt om toestemming om de zaak eerder te verkopen. Zonder dit briefje is het waarschijnlijk dat er geen geschil was ontstaan. Voorts is het appartement niet binnen een jaar verkocht. Het belang van Laurentius is daarom relatief klein. De rechtbank matigt de boete tot een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met rente vanaf de dag van dagvaarding, dit is 16 augustus 2022. Ook de buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar, maar dan voor een bedrag van € 625,- wat bij deze hoofdsom past, vermeerderd met rente.
3.4.
In de uitkomst van het geschil ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten aldus te compenseren, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis wordt voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na heden aan Laurentius te betalen een bedrag van € 5.000,- aan boete, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2022;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na heden aan Laurentius te betalen een bedrag van € 625,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2022;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. Römers, rechter, en op 3 april 2023 in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.