Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het rijden op het trottoir op de Boulevard Noord te Bergen op Zoom op 9 juli 2020. Betrokkene en zijn gemachtigde voerden aan dat de gedraging niet is verricht en dat de verbalisant geen reële poging tot staandehouding heeft gedaan, hetgeen volgens artikel 5 Wahv Pro vereist is om de boete aan de bestuurder op te leggen.
De zaak werd aanvankelijk aangehouden om de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal te laten overleggen met een toelichting op de staandehouding. Uit dit proces-verbaal bleek dat de verbalisant afzag van staandehouding omdat betrokkene wegreed toen het voertuig van de verbalisant in beeld kwam. De kantonrechter oordeelde dat deze verklaring te summier was en bovendien niet afkomstig van de verbalisant zelf, waardoor hieraan geen doorslaggevende waarde werd toegekend.
De kantonrechter concludeerde dat er wel een reële mogelijkheid tot staandehouding was geweest en dat de boete daarom ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd. De beschikking en de beslissing van de officier van justitie werden vernietigd, het betaalde bedrag werd terugbetaald en een proceskostenvergoeding van €418,50 werd toegekend. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd.