Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het rijden met een snelheid van 8 km per uur boven de toegestane limiet op de A4 buiten de bebouwde kom te Steenbergen op 1 december 2022.
Betrokkene stelde dat het voertuig ten tijde van de overtreding was verhuurd aan een gemachtigde en dat de boete daarom niet terecht was. Hij voerde aan dat het voertuig was verhuurd, maar kon dit niet onderbouwen met een geldige huurovereenkomst van maximaal drie maanden, zoals vereist volgens artikel 8 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
De officier van justitie verzocht het beroep ongegrond te verklaren en overhandigde een huurovereenkomst waaruit bleek dat het voertuig voor 60 maanden was verhuurd, wat niet voldoet aan de uitzondering voor kortdurende verhuur.
De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht aan betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, omdat niet is komen vast te staan dat de uitzondering van bedrijfsmatige verhuur van ten hoogste drie maanden van toepassing is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.