De zaak betreft een vordering van een budgetbeheerder tegen een cliënt die twee overeenkomsten voor budgetbeheer had gesloten, maar waarbij geen beheer- en leefgeldrekeningen werden geopend vanwege het niet verlenen van een machtiging door de cliënt.
De budgetbeheerder vorderde betaling van openstaande facturen over de periode juli 2020 tot en met maart 2022, inclusief intake- en dossierkosten. De cliënt betwistte het bestaan van de overeenkomst en stelde dat er geen werkzaamheden waren verricht.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand waren gekomen en dat de budgetbeheerder door het uitblijven van een machtiging niet kon uitvoeren wat was afgesproken. Echter, het is onaanvaardbaar dat de cliënt de maandelijkse vergoeding moet betalen over de periode juli 2020 tot en met november 2021, omdat de budgetbeheerder onvoldoende duidelijkheid had gegeven over de noodzaak van de machtiging en de oplopende kosten.
Voor de periode december 2021 tot en met maart 2022 is de vordering wel toewijsbaar, evenals de intake- en dossierkosten. De buitengerechtelijke incassokosten worden beperkt toegewezen tot het wettelijke maximum. Proceskosten worden gecompenseerd.