De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 december 2023 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 15 december 2023, waarbij verdachte schriftelijk afstand deed van zijn verschijningsrecht. De tenlastelegging hield in dat verdachte aangeefster, een 16-jarig meisje dat hij niet kende, had gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster meerdere malen op de wang en in de nek heeft gekust en haar bij de heupen heeft vastgepakt en naar zich toe heeft getrokken. Deze handelingen waren seksueel van aard en in strijd met de sociaal-ethische normen, mede vanwege het leeftijdsverschil en het feit dat aangeefster niet instemde. Dwang werd bewezen door het vastpakken en het onverhoeds handelen van verdachte.
De rechtbank hield rekening met de eerdere veroordeling van verdachte voor verkrachting in 2020 en zijn recidive, evenals zijn onbereikbare houding tegenover de reclassering. De officier van justitie eiste vier weken gevangenisstraf, maar de rechtbank legde een lagere straf op van één week onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bewezen feit buiten de proeftijd viel.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing en de mogelijkheid deze bij de burgerlijke rechter aan te brengen.