Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[naam 1], wonende te [woonplaats] aan het [adres] ,
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
“(…) De kantonrechter is van oordeel dat in deze procedure voldoende vaststaat dat [naam 1] , althans zijn dochter/zijn bezoek, vanaf januari 2023 overlast (heeft) veroorzaakt aan omwonenden. Die overlast bestaat met name uit geluidsoverlast door ruzie en geschreeuw en het veroorzaken van of in grote mate bijdragen aan een dreigende sfeer. Dit alles is onacceptabel en erg storend voor de omwonenden. Bovendien leidt het tot gevoelens van onveiligheid bij hen. Dit is een zeer onwenselijke en ernstige situatie. (…) Toch is de kantonrechter er niet van overtuigd dat de bodemrechter met een grote mate van waarschijnlijkheid de huurovereenkomst bij de huidige stand van zaken zou ontbinden. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang. De huidige overlast dateert vanaf januari 2023. Dat moment valt kennelijk samen met het verlaten van de woning door de ex-echtgenote van [naam 1] , die voor hem zorgde. Aannemelijk is dat de situatie van [naam 1] als gevolg daarvan is verslechterd. Met WonenBreburg (punten 10 en 11 van de dagvaarding) is de kantonrechter het eens dat [naam 1] hulp nodig heeft en daartoe zorg en begeleiding moet accepteren. Die hulp, zo stelt de kantonrechter vast, is pas relatief kort geleden op gang gekomen en de kantonrechter is vooralsnog van oordeel dat [naam 1] een laatste kans moet worden gegeven om te laten zien dat hij met inschakeling van de (zo nodig nog uit te breiden) hulpverlening wel zonder verder overlast veroorzakend gedrag in de woning kan blijven wonen. Daarom wordt een ontruiming van de woning op dit moment prematuur geacht. De kantonrechter benadrukt echter dat het voor [naam 1] van het allergrootste belang is om verdere overlastincidenten te voorkomen. Hij dient zich daarbij goed te realiseren dat hij ook verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn bezoek. Zo nodig dient hij dat bezoek (waaronder zijn dochter en zijn moeder) te blijven weren om nieuwe overlast te voorkomen. Want één enkel nieuw overlastincident kan al maken dat hij bij een eventuele tweede vordering tot ontruiming zijn woning wel kwijt zal raken. [naam 1] dient zich daar heel goed bewust van te zijn. (…)”;
€ 132,00 +;
4.De beslissing in kort geding
- Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder, ook de kosten van betekening betalen;
- [gedaagde] is, in haar hoedanigheid van bewindvoerder, wettelijke rente verschuldigd als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proces- en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;