Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:9230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 december 2023
Publicatiedatum
29 december 2023
Zaaknummer
AWB- 23_11598 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 2 WpbrArt. 8:81 lid 1 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering toestemming Wpbr

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef van de politie Zeeland-West-Brabant waarin toestemming als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) werd geweigerd. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om hem te beschouwen als houder van die toestemming in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang van het verzoek en concludeerde dat ondanks de financiële situatie van verzoeker, deze al bijna een jaar zonder de toestemming financieel weet te overleven. De aanvraag dateert van januari 2023, het primaire besluit van juli 2023 en het bestreden besluit van oktober 2023.

Omdat er geen sprake is van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt, werd het verzoek afgewezen. Er werden geen proceskosten toegekend en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van toestemming op grond van artikel 7 lid 2 Wpbr wordt afgewezen wegens ontbreken van een zelfstandig spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/11598 WET VV

uitspraak van 29 december 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. H.F. van Boxel
en

de korpschef van de politie Zeeland-West-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 oktober 2023 (bestreden besluit) inzake de geweigerde toestemming als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr).
Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening onderbouwd met een verklaring van een boekhouder dat op basis van de door verzoeker verstrekte gegevens inzake de inkomsten en uitgaven in het gezin een financiële noodsituatie kan ontstaan. Verzoeker heeft aangegeven dat hij op dit moment alleen gedurende een beperkt aantal uren per week garderobewerkzaamheden kan verrichten in plaats van de veel beter betaalde beveiligingswerkzaamheden welke hij normaliter (full time) uitvoert. Per maand heeft hij nu € 2.954,-- aan inkomsten en € 3.422,-- aan uitgaven.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de rechtbank beroep is ingesteld tegen het bestreden besluit, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een uitspraak op dat beroep. Er dient derhalve sprake te zijn van een zelfstandige spoedeisendheid bij een te treffen voorlopige voorziening en het moet niet alleen gaan om bespoediging van de afdoening van het beroep.
4. Het verzoek van verzoeker heeft de strekking dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat verzoeker geacht moet worden te beschikken over de toestemming als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de Wpbr. Het inwilligen van een dergelijke voorziening is te verstrekkend, maar kan niettemin aangewezen zijn indien sprake is van een financiële noodzaak. De voorzieningenrechter acht evenwel niet aannemelijk dat verzoeker over onvoldoende financiële middelen zal kunnen beschikken om de uitspraak van de rechtbank af te wachten. De aanvraag voor het verkrijgen van de toestemming dateert van 6 januari 2023, het primaire besluit tot weigering dateert van 10 juli 2023 en het bestreden besluit dateert van 23 oktober 2023. Dat betekent dat verzoeker zich al bijna een jaar financieel weet te redden zonder de door hem gewenste toestemming. Gelet hierop valt niet in te zien dat hij de uitspraak van de rechtbank op zijn beroep niet kan afwachten. Daarmee ontbeert dit verzoek om voorlopige voorziening een zelfstandig spoedeisend belang.
5. Omdat geen sprake is van onverwijlde spoed in vorenbedoelde zin zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 29 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.