Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
“Op 6 maart 2017 is bij erflater de diagnose matig ernstige dementie gesteld, hetgeen eveneens een stoornis is van de geestvermogens. (…) Ja, op 15 december 2016 was er ook al sprake van deze dementie. Gelet op de diagnose ziekte van Alzheimer en de afwezigheid van een delier of depressie in deze periode en de uitslag van de MRI scan zonder grote vaatschade, die allen een mogelijk snelle geestelijke achteruitgang ook zouden kunnen verklaren, is met zekerheid te stellen dat de ernst van de dementie op 15 december 2016 nagenoeg vergelijkbaar is met de ernst van 6 maart 2017 (CDR 2). Hieruit volgt dat de wilsverklaring op 15 december 2016 onder invloed van deze geestelijke stoornis is gedaan. Bij CDR 1 is er al sprake van moeite met het oplossen van problemen; Bij CDR 2 is het oplossen van problemen ernstig beperkt (…).”
de aardvan een stoornis op zichzelf niet tot de conclusie kan leiden dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen heeft belet en/of de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Veelal zullen – zoals in deze zaak – in de aard van de stoornis, al dan niet in verband met de aard van de rechtshandeling, juist wel de feiten en omstandigheden zijn gelegen die maken dat aan de voorwaarde van het wettelijk rechtsvermoeden is voldaan.