ECLI:NL:RBZWB:2023:9038

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
10496862 CV EXPL 23-1114
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde moet volledige schadevergoeding betalen voor beschadigde inductiekookplaat

Op 9 december 2022 veroorzaakte gedaagde schade aan de inductiekookplaat van eiser tijdens het aansluiten van verlichting. De kookplaat bleek onherstelbaar beschadigd, waarna eiser direct een nieuwe kookplaat bestelde voor €2.499,00. Gedaagde beloofde de kosten te vergoeden, maar betaalde slechts gedeeltelijk en stelde later een voorwaarde dat hij de oude kookplaat terug moest krijgen om reparatie te laten uitvoeren. Eiser had de oude kookplaat echter al afgevoerd.

Eiser vorderde betaling van het resterende bedrag en incassokosten. Gedaagde voerde opschorting aan vanwege de niet teruggegeven oude kookplaat en stelde dat hij niet meer verschuldigd was dan de reparatiekosten. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde de voorwaarde pas na de overeenkomst stelde en eiser hier niet mee instemde. Er waren geen latere afspraken die de betalingsverplichting beperkten.

De kantonrechter wees de vordering van eiser toe voor €1.250,00 plus wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, maar wees de incassokosten af vanwege het ontbreken van een correcte aanmaning. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van €642,99. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet €1.250,00 plus wettelijke rente betalen aan eiser en wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10496862 CV EXPL 23-1114
Vonnis van 13 december 2023
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] , Juristu Incassodiensten B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Hoe is de procedure verlopen?

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 mei 2023 met de daarin genoemde stukken;
- de aanvullende productie die op 25 oktober 2023 aan de zijde van [eiser] in het geding is gebracht;
- de mondelinge behandeling van 14 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Wat zijn de feiten in deze zaak?

2.1.
[gedaagde] heeft op 9 december 2022 bij [eiser] verlichting aangesloten in de keuken. Daarbij heeft [gedaagde] schade veroorzaakt aan de inductiekookplaat van [eiser] .
2.2.
Diezelfde dag nog is [bedrijf] langsgekomen om de schade aan de kookplaat te beoordelen. Over haar bezoek heeft [bedrijf] het volgende verklaard:
“op 09-12-2022 hebben wij op uw verzoek de schade onderzocht welke aangebracht was aan de net geïnstalleerde inductie kookplaat. Degene die de schade veroorzaakt had was aanwezig bij ons onderzoek en heeft, met goedkeuring, kennis genomen van onze bevindingen.
De conclusie van de ter zake deskundige medewerker was dat de kookplaat onherstelbaar beschadigd was, de schade aan de verwarmingscomponenten was zeer aannemelijk gezien de breuken aan de glasplaat. Een veilige werking van de kookplaat kon niet meer gegarandeerd worden.
Ons advies was, in overeenstemming met dat van de fabrikant, om de kookplaat niet meer te gebruiken.
De kosten van een mogelijke reparatie zijn naar inschatting hoger dan de aanschaf van een nieuw apparaat. Gezien de schaarste op de markt was dit het beste alternatief op dat moment, ook vanwege de aankomende feestdagen.”
2.3.
[eiser] bestelt voor € 2.499,00 direct een nieuwe kookplaat bij [bedrijf] . [gedaagde] doet de toezegging aan [eiser] die kosten te zullen betalen.
2.4.
Daarna vraagt [eiser] meermaals om betaling. In reactie daarop betaalt [gedaagde] € 500,00. Hij geeft aan dat hij de rest zal betalen als hij een voorschot op zijn loon heeft ontvangen van zijn werkgever.
2.5.
[gedaagde] heeft op 30 december 2022 bij ATAG Benelux nagevraagd wat het vervangen van een glasplaat van een oude kookplaat kost. Volgens ATAG Benelux bedragen de voorrijkosten € 149,00 en de kosten voor de nieuwe glasplaat € 596,41.
2.6.
Naar aanleiding van het antwoord van ATAG Benelux vraagt [gedaagde] aan [eiser] om hem de oude kookplaat te geven. [eiser] heeft die echter al naar de milieustraat gebracht. Daarop betaalt [gedaagde] nog eens € 750,00 aan [eiser] .
2.7.
Op 7 februari 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief verstuurd naar [gedaagde] . Daarin vordert [eiser] betaling van een bedrag van € 1.476,88 aan kosten voor de nieuwe kookplaat en incassokosten.

3.Wat vordert [eiser] en wat vindt [gedaagde] daarvan?

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 1.250,00 aan hoofdsom en € 226,88 aan incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.250,00, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt dat hij met [gedaagde] is overeengekomen dat [gedaagde] de kosten van de nieuwe kookplaat van € 2.499,00 aan [eiser] zou betalen. Daarvan is tot op de dag van vandaag slechts de helft betaald. [eiser] heeft [gedaagde] verschillende keren gevraagd om ook de andere helft te betalen, maar zonder resultaat. [gedaagde] moet daarom ook incassokosten en rente betalen.
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser] . [gedaagde] doet een beroep op opschorting van zijn verplichting tot betaling van de andere helft van de kosten voor de nieuwe kookplaat. Hij voert daartoe aan dat [eiser] hem eerst de oude kookplaat moet geven, omdat hij deze volgens ATAG Benelux kan laten repareren. [eiser] heeft de oude kookplaat echter al naar de milieustraat gebracht en kan deze dus niet meer aan [gedaagde] geven. Dit betekent volgens [gedaagde] dat [eiser] niet schadebeperkend heeft gehandeld, zodat [gedaagde] niet méér verschuldigd is dan de reparatiekosten van de oude kookplaat van € 745,41. Deze heeft hij al ruimschoots betaald.

4.Hoe beoordeelt de kantonrechter deze zaak?

4.1.
Door [gedaagde] wordt niet betwist dat hij met [eiser] een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan hij de kosten van de nieuwe kookplaat van € 2.499,00 aan [eiser] zou betalen. Door [eiser] wordt namelijk gesteld en door [gedaagde] niet weersproken dat [gedaagde] op 9 december 2022, nadat [bedrijf] de oude kookplaat als onherstelbaar beschadigd had beoordeeld, tegen [eiser] “I pay for it” heeft gezegd. Daarna heeft [gedaagde] ook nog meerdere e-mails verstuurd aan [eiser] waaruit blijkt dat hij de kosten van de nieuwe kookplaat wilde betalen. In beginsel is [gedaagde] daarom de andere helft van de kosten nog verschuldigd.
4.2.
[gedaagde] voert echter aan dat hij inmiddels niet meer verschuldigd is dan de reparatiekosten, omdat de oude kookplaat volgens ATAG Benelux tóch gerepareerd kan worden en [eiser] deze niet meer aan hem terug kan geven. De reparatiekosten bedragen € 750,00 en dat bedrag heeft [gedaagde] al voldaan. Wat daar ook van zij, de kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de voorwaarde van het overhandigen van de oude kookplaat pas een paar weken na het sluiten van de overeenkomst op 9 december 2022 heeft gesteld, nadat de kookplaat al naar de milieustraat was afgevoerd, en dat [eiser] niet met die voorwaarde heeft ingestemd. [gedaagde] heeft dat op de mondelinge behandeling ook nog bevestigd. Op de mondelinge behandeling is verder zelfs gebleken dat [eiser] [gedaagde] bij gelegenheid van het monteren van de nieuwe kookplaat nog heeft gevraagd of hij de oude kookplaat wilde meenemen. [gedaagde] heeft daar toen ontkennend op geantwoord. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat partijen op een later moment nog andere afspraken met elkaar hebben gemaakt op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] het restantbedrag niet meer hoeft te betalen. Het beroep van [gedaagde] op opschorting van zijn verbintenis tot betaling slaagt daarom niet.
4.3.
[gedaagde] weerspreekt de hoogte van de vordering verder niet. De kantonrechter zal de vordering tot het betalen van de hoofdsom van € 1.250,00 daarom toewijzen.
4.4.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
4.5.
[eiser] vordert ook wettelijke rente over de hoofdsom van € 1.250,00 vanaf 17 januari 2023. Daarover oordeelt de kantonrechter als volgt. De wettelijke rente kan gevorderd worden vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is. Dat wil zeggen dat de uiterlijke betaaltermijn moet zijn verstreken. [eiser] verklaart dat hij op 30 januari 2023 een ingebrekestelling met daarin een uiterlijke betaaltermijn aan [gedaagde] heeft verstuurd. De kantonrechter heeft kennis genomen van het verzendbewijs van die ingebrekestelling, maar niet van de inhoud ervan. Die heeft [eiser] namelijk niet in het geding gebracht. De kantonrechter kan daarom niet nagaan welke betaaltermijn in de ingebrekestelling is genoemd en wanneer het verzuim van [gedaagde] is ingetreden. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente daarom pas toewijzen vanaf de dag van dagvaarding.
4.6.
[gedaagde] is de partij die grotendeels ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu de gemachtigde van [eiser] niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was, stelt de kantonrechter het salaris gemachtigde vast op één procespunt voor de dagvaarding. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] dus vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
130,49
- griffierecht
214,00
- salaris gemachtigde
199,00
(1,00 punt × € 199,00)
- nakosten
99,50
(0,50 punt × € 199,00)
Totaal
642,99

5.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 april 2023, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 642,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2023.