ECLI:NL:RBZWB:2023:8721

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
BRE - 22 _ 4224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8 Wet IBArt. 30fc lid 1 en 4 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 30fc lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep belastingrente aanslag inkomstenbelasting 2019

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, diende op 30 december 2021 zijn aangifte inkomstenbelasting 2019 in. De inspecteur legde op 28 mei 2022 een aanslag op met een belastbaar inkomen van €41.596 en bracht belastingrente in rekening. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrente, stellende dat hij tijdig had betaald en de aangifte tijdig had ingediend.

De inspecteur verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond, waarbij de belastingrente werd verminderd van €149 naar €100. Tegen deze uitspraak werd beroep ingesteld. De rechtbank behandelde het beroep op 2 november 2023 en oordeelde dat de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag was opgelegd omdat de aangifte niet vóór 1 mei 2020 door de Belastingdienst was ontvangen en de inspecteur bij het opleggen van de aanslag was afgeweken van de ingediende aangifte.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de aanslag en belastingrentebeschikking in stand. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.H.W. Steijn op 14 december 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrentebeschikking wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 augustus 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 41.596 waarbij gelijktijdig € 149 belastingrente in rekening is gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit woning en werk gehandhaafd maar zijn aan belanghebbende de belastingdelen van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting toegekend. Hierbij is gelijktijdig de belastingrente verminderd tot € 100.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, via een telefonische verbinding, en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is uitsluitend de in rekening gebrachte belastingrente nog in geschil. De rechtbank beoordeelt of de belastingrentebeschikking terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft.
Feiten
4. Belanghebbende is woonachtig in Duitsland en heeft in 2019 een AOW-uitkering en pensioenuitkeringen ontvangen die aan de Nederlandse inkomstenbelasting onderworpen zijn.
4.1.
In 2019 is belanghebbende een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige [1] . Hij is het gehele jaar 2019 niet premieplichtig in Nederland.
4.2.
Belanghebbende heeft op 30 december 2021 de aangifte IB 2019 ingediend. De aanslag IB 2019 is opgelegd op 28 mei 2022. Hierbij is door de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte.

Overwegingen

Belastingrente

5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte belastingrente in rekening heeft gebracht omdat hij tijdig de aangifte IB 2019 heeft ingediend en ook het op de aanslag IB 2019 verschuldigde bedrag tijdig heeft voldaan.
5.1.
De inspecteur voert aan dat terecht belastingrente in rekening is gebracht omdat bij het opleggen van de aanslag IB 2019 is afgeweken van de ingediende aangifte. Op grond van de wet, dient de inspecteur dan belastingrente in rekening te brengen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht belastingrente in rekening heeft gebracht omdat de aangifte IB 2019 niet door de Belastingdienst is ontvangen voor 1 mei 2020 [2] . Omdat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB 2019 is afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte, is de beperking van het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend niet van toepassing [3] . De rechtbank ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2019 en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2023 door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7.8 van de Wet IB
2.Artikel 30fc, eerste en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
3.Artikel 30fc, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen