ECLI:NL:RBZWB:2023:8295

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2023
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
AWB- 23_8973
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking last onder dwangsom door gemeente Oisterwijk

Verzoeker stelde beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk waarbij een last onder dwangsom was opgelegd. Dit beroep werd ingetrokken nadat het college de last onder dwangsom met terugwerkende kracht vanaf 29 december 2022 had ingetrokken. De rechtbank beoordeelde het verzoek van verzoeker tot proceskostenveroordeling van het college.

De rechtbank oordeelde dat het college aan verzoeker was tegemoetgekomen door de last onder dwangsom in te trekken, mede omdat verzoeker het perceel waarop de last betrekking had op 29 december 2022 had overgedragen en daardoor niet meer in staat was de overtredingen te voorkomen. Op grond hiervan wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe.

De vergoeding werd vastgesteld op € 837,- voor de beroepsfase, aangezien in de bezwaarfase geen verzoek om proceskostenveroordeling was gedaan en de gemachtigde van verzoeker niet was verschenen bij de hoorzitting. Daarnaast werd het college opgedragen het griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter Paijmans op 20 november 2023.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 837,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 184,- aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/8973

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2023 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het college van 20 juni 2023. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het college op 30 oktober 2023 de bij primair besluit van 5 oktober 2022 opgelegde last onder dwangsom met terugwerkende kracht vanaf 29 december 2022 heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van mening is dat het college enkel de proceskosten ten aanzien van de beroepsfase alsmede de griffierechten dient te betalen, nu in de bezwaarfase niet is verzocht om veroordeling in de proceskosten en de gemachtigde van eiser ook niet is verschenen tijdens de hoorzitting gedurende de bezwaarprocedure.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]

Is het college aan verzoeker tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 6 augustus 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Het college heeft met zijn besluit van 30 oktober 2022 de last zoals die op 5 oktober 2022 is opgelegd aan eiser ingetrokken vanaf 29 december 2022. Doordat verzoeker de eigendom van het perceel kadastraal bekend [perceel], op 29 december 2022 heeft overgedragen, heeft verzoeker het sinds deze datum niet meer in zijn macht om de overtredingen te voorkomen. Met zijn besluit om de last onder dwangsom in te trekken is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Nu verzoeker in de bezwaarfase niet heeft verzocht om veroordeling in de proceskosten, kent de rechtbank slechts vergoeding toe van de proceskosten ten aanzien van de beroepsfase. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 837,-.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt het college tot betaling van € 837,- aan proceskosten aan verzoeker;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.M.J.C. Paijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. D'Hoore, griffier, op 20 november 2023, en is geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.