ECLI:NL:RBZWB:2023:7980

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 november 2023
Publicatiedatum
16 november 2023
Zaaknummer
C/02/413899 / JE RK 23-1636
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:247 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen ter bestendiging positieve ontwikkelingen

De Stichting Jeugdbescherming Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2009 en 2011, die bij hun moeder wonen en onder haar gezag staan. De verlenging was aanvankelijk voor drie maanden gevraagd, maar tijdens de mondelinge behandeling werd dit verzoek aangevuld tot vier maanden vanwege de noodzaak om de positieve ontwikkelingen in het contact tussen de vader en de kinderen te bestendigen.

De Raad voor de Kinderbescherming en de vader onderschreven het verzoek, waarbij de vader als belanghebbende werd aangemerkt omdat de ondertoezichtstelling mede gericht is op herstel van het contact met hem. Ook de moeder stemde in met de verlenging. De kinderrechter constateerde dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet waren bereikt en dat een warme overdracht van gedwongen naar vrijwillige hulpverlening tijd vereist.

Op grond van artikel 1:260 BW Pro en artikel 1:255 BW Pro werd de ondertoezichtstelling verlengd van 18 november 2023 tot 18 februari 2024. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze ook tijdens een eventueel hoger beroep direct gevolgd moet worden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 18 februari 2024 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
zaakgegevens : C/02/413899 / JE RK 23-1636
datum uitspraak: 6 november 2023

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Tilburg.
betreffende
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1]
,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. Möller te Tilburg.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 september 2023, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum;
- het op 7 november 2023 van de GI ontvangen aanvullende verzoek.
Op 6 november 2023 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld.
Gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door mr. C.C.J. Mouwen, waarnemend voor mr. Möller,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de moeder.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening over het verzoek kenbaar te maken, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
Laatstelijk is bij beschikking van 9 mei 2023 de ondertoezichtstelling verlengd tot 18 november 2023.

Het verzoek

De GI heeft verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht voor de duur van 3 maanden.
Dit verzoek hangt nauw samen met het verzoek van de GI tot vaststelling van een omgangsregeling met het kenmerk C/02/413904 / JE RK 23-1638. Daarom heeft de rechtbank de verzoeken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.

De standpunten

De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat in het afgelopen half jaar met behulp van De Gezinsmanager (DGM) is gewerkt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen.
Dat is goed verlopen. Wel is er nog enige vrees dat de vader zal terugvallen in zijn oude gedrag en hij afspraken niet zal nakomen en hij daarmee de kinderen weer teleurstelt.
[minderjarige 1] is inmiddels gestart bij “ [traject] ” om te onderzoeken welke extra zorg hij behoeft. Voor [minderjarige 2] is geen extra hulp nodig. De ouders zullen bij DGM nog enkele afsluitende gesprekken voeren.
De GI schat in dat om de ondertoezichtstelling goed te kunnen afsluiten een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van 3 maanden wat aan de korte kant zal zijn.
Om die reden vult de GI tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek aan en verzoekt zij thans om verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van 4 maanden. Naar de mening van de GI zal de Raad dan nog voldoende de tijd hebben om te toetsen of de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd.
De vader beaamt dat de omgangsregeling tussen hem en de kinderen goed verloopt. De vader is daar blij mee. De hulpverlening aan de kinderen beschouwt de vader als een positiefs iets.
Tegen het doen van het aanvullende verzoek heeft de vader geen bezwaar. Met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van vier maanden stemt de vader in.
De Raad constateert dat sprake is van een positieve ontwikkeling. Om de positieve ontwikkeling te kunnen bestendigen acht de Raad het in het belang van de minderjarigen als de ondertoezichtstelling voor de duur van vier maanden wordt verlengd.

De beoordeling

De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling allereerst de vraag opgeworpen of de vader in deze procedure als belanghebbende moet worden aangemerkt of als informant.
De GI en de vader hebben zich ten aanzien van deze kwestie gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Naar de mening van de vader dient hij aangemerkt te worden als belanghebbende, omdat hij bij het vorige verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling eveneens als belanghebbende werd aangemerkt.
De kinderrechter beslist als volgt. Het is duidelijk dat de doelen van de ondertoezichtstelling veelal gericht zijn op herstel van het contact tussen de vader en de kinderen. De doelen zien daarmee rechtstreeks op de rechten en plichten van de vader. Daarom zal de kinderrechter hem in deze procedure aanmerken als belanghebbende.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij thans verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van vier maanden in plaats van voor de duur van drie maanden. De vader heeft tegen het doen van het aanvullende verzoek geen bezwaar gemaakt. Ook inhoudelijk stemt de vader in met het aanvullende verzoek. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, waarin de GI telefonisch contact heeft gehad met de moeder, is gebleken dat ook de moeder geen bezwaar heeft tegen het aanvullende verzoek, alsook dat zij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van vier maanden.
De kinderrechter constateert dat de positieve ontwikkelingen waar tijdens het vorige verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling al sprake van was, zich heeft doorgezet. De kinderrechter hecht, met name voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , groot belang aan deze positieve ontwikkelingen en is met de Raad van oordeel dat om deze positieve ontwikkelingen te kunnen bestendigen een verlenging van de ondertoezichtstelling aangewezen is. Alsdan zal de GI kunnen zorgen voor een warme overdracht van de gedwongen hulpverlening naar de vrijwillige hulpverlening. Daar is nog tijd voor nodig. Er is voldaan aan de wettelijke criteria omdat een en ander nog niet is geregeld. Bestendiging van de huidige situatie waarbij de kinderen regelmatig contact met hun vader hebben is van wezenlijk belang voor hun ontwikkeling. Het (aanvullende) verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 18 november 2023 tot 18 februari 2024;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2023 door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Dongen, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 november 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch