ECLI:NL:RBZWB:2023:7963

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 november 2023
Publicatiedatum
16 november 2023
Zaaknummer
10444469 CV EXPL 23-1035
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling resterend factuurbedrag wegens niet gewerkte uren

In deze civiele bodemzaak vordert eiser, een betonbewerkingsbedrijf, betaling van een restantfactuur van €2.000 van gedaagde, een bouwbedrijf. De factuur betreft werkzaamheden uitgevoerd door door eiser ingehuurde uitzendkrachten voor een bouwproject in 2022.

Gedaagde betwist het resterende bedrag omdat volgens haar de ingehuurde werknemers niet alle gefactureerde uren hebben gewerkt; zij zouden te laat zijn begonnen, te vroeg zijn gestopt en te lange pauzes hebben genomen. Ook stelt gedaagde dat de kwaliteit en coördinatie van het werk onvoldoende waren, wat vertraging en extra kosten veroorzaakte.

De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de gefactureerde uren daadwerkelijk zijn gewerkt. De werkbonnen zijn onvoldoende, mede omdat gedaagde de werkbon van week 49 niet heeft goedgekeurd. Eiser heeft niet gereageerd op de betwisting tijdens de mondelinge behandeling.

Daarom wordt de vordering van €2.000 afgewezen, evenals de nevenvorderingen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €398. Het vonnis is gewezen door kantonrechter Van Dam en op 15 november 2023 uitgesproken.

Uitkomst: De vordering van eiser tot betaling van €2.000 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gewerkte uren.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10444469 \ CV EXPL 23-1035
Vonnis van 15 november 2023
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: P. de Ruijter,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 12 juli 2023 en de daarin genoemde stukken;
  • producties 7 tot en met 9 van [eiser] , ingekomen ter griffie op 25 september 2023;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling gehouden op 6 oktober 2023.
1.2.
[eiser] is niet op de mondelinge behandeling, gehouden op 6 oktober 2023, verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiser] is een bedrijf dat zich bezighoudt met het knippen, buigen en vlechten van betonwapening, alsmede het uitvoeren van diverse betonwerken. [gedaagde] is een bouwbedrijf. Partijen hebben in het verleden meermaals samengewerkt.
2.2.
In 2022 heeft [gedaagde] werk aangenomen op grond waarvan zij werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van het project “ [projectnaam] ”. Voor de uit te voeren funderings- en vlechtwerkzaamheden heeft [gedaagde] [eiser] ingeschakeld. [eiser] heeft deze werkzaamheden vervolgens laten uitvoeren door werknemers van een uitzendbureau. Bij eerdere samenwerkingen tussen [eiser] en [gedaagde] werden de werkzaamheden uitgevoerd door de werknemers van [eiser] zelf.
2.3.
Op 26 december 2022 heeft [eiser] een factuur (van in totaal € 18.944,00) gestuurd naar [gedaagde] voor de door haar verrichte werkzaamheden. [gedaagde] heeft een bedrag van € 16.944,00 betaald. In deze procedure vordert [eiser] de resterende € 2.000,00 van [gedaagde] .
2.4.
[gedaagde] zegt het bedrag van € 2.000,00 niet verschuldigd te zijn, omdat de door [eiser] ingeschakelde werknemers niet alle in rekening gebrachte uren hebben gewerkt. Volgens [gedaagde] kwamen de werknemers (met name in week 49) te laat, gingen ze te vroeg weg en/of hielden ze te lang pauze.
Daarnaast zegt [gedaagde] schade te hebben geleden doordat de werknemers van [eiser] te langzaam werkten en doordat de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden onvoldoende was. Volgens [gedaagde] werden de werkzaamheden niet door [eiser] gecoördineerd. Het bouwproject heeft hierdoor vertraging opgelopen, zodat [gedaagde] genoodzaakt was om zelf de betreffende werkzaamheden te verrichten. Ook werd [gedaagde] door de vertraging geconfronteerd met een hogere betonprijs. Volgens [gedaagde] bedraagt de door haar geleden schade in ieder geval € 4.800,00 exclusief btw. Mocht worden geoordeeld dat [gedaagde] het bedrag van € 2.000,00 toch verschuldigd is, dan beroept [gedaagde] zich op verrekening met de door haar geleden schade.

3.Wat is het oordeel van de kantonrechter?

3.1.
Partijen zijn het erover eens dat zij een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [eiser] werkzaamheden moet verrichten voor [gedaagde] en [gedaagde] de gewerkte uren aan [eiser] moet betalen. Ook is niet in geschil dat er door [eiser] werkzaamheden zijn verricht. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] alle in rekening gebrachte uren heeft gewerkt en [gedaagde] dus alle in rekening gebrachte uren moet betalen. Volgens [gedaagde] zijn de uren tot een bedrag van € 2.000,00 niet gewerkt en daarom onterecht door [eiser] in rekening gebracht bij [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat het bedrag van € 2.000,00 onterecht door [eiser] in rekening is gebracht bij [gedaagde] en licht dat als volgt toe.
3.2.
Het is aan [eiser] om haar stelling dat zij de in de facturen genoemde uren heeft gewerkt, te onderbouwen en toe te lichten. [eiser] heeft dit gedaan door het overleggen van werkbonnen. [gedaagde] betwist het standpunt van [eiser] . [gedaagde] zegt namelijk dat haar manager steeds aanwezig is geweest op de bouwlocatie en dat deze manager heeft geconstateerd dat de door [eiser] ingeschakelde werknemers niet de door hen opgegeven uren hebben gewerkt. De werknemers zouden namelijk te laat starten, te vroeg weggaan en/of te lange pauzes nemen. Daarom heeft [gedaagde] de werkbon van week 49 ook niet getekend.
3.3.
[eiser] heeft niet aangetoond dat de door haar gefactureerde uren wel degelijk zijn gewerkt. De hiervoor genoemde werkbonnen zijn daartoe onvoldoende, zeker omdat vaststaat dat [gedaagde] de werkbon van week 49 heeft geweigerd voor akkoord te tekenen.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 6 oktober 2023 de gelegenheid gekregen om inhoudelijk op de argumenten van [gedaagde] te reageren. [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [eiser] heeft (daardoor) niet betwist dat de door haar ingehuurde krachten minder uren hebben gewerkt dan op de werkbonnen – en daarmee op de facturen – staat aangegeven. De kantonrechter gaat daarom uit van die stelling van [gedaagde] . Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de gefactureerde uren kloppen en dus kan niet worden vastgesteld dat [eiser] deze uren terecht heeft gefactureerd.
3.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiser] – te weten: de betaling van € 2.000,00 door [gedaagde] – wordt afgewezen. Doordat de door [eiser] gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, zullen ook haar nevenvorderingen (waaronder de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten) worden afgewezen.
Proceskosten
3.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 398,00 (2 punten x tarief € 199,00).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 398,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2023.