Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Overwegingen
4.Conclusie en gevolgen
- verklaart de beroepen over de jaren 2017, 2018 en 2020 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2020;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 228, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 49, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 17, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur de door belanghebbende 1 betaalde griffierechten aan haar vergoedt, zijnde een bedrag van totaal € 195.
- verklaart de beroepen over de jaren 2018 en 2020 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2020;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 49, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 17, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur de door belanghebbende 2 betaalde griffierechten aan hem vergoedt, zijnde een bedrag van totaal € 147.