De zaak betreft een beroep van een zorginstelling tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen op spoor 1 voor een werkneemster die sinds oktober 2018 ziek uitviel. De werkneemster verrichtte vervangende werkzaamheden en bouwde op tot haar oorspronkelijke uren, maar het UWV stelde dat de werkgever onvoldoende had onderzocht of passende werkzaamheden op taakniveau structureel konden worden aangeboden.
De werkgever voerde aan dat passende functies waren onderzocht en dat de beperkte belastbaarheid en gebrek aan formatieruimte een belemmering vormden. De arbeidsdeskundigen van het UWV oordeelden echter dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar structurele passende werkzaamheden en dat de werkgever geen deugdelijke grond had voor het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen.
De rechtbank concludeerde dat de loonsanctie terecht is opgelegd omdat de werkgever onvoldoende had onderzocht welke deeltaken of functies passend en structureel beschikbaar waren, ook na verbetering van de belastbaarheid van de werkneemster. De argumenten van de werkgever over formatieruimte en overhead werden niet als deugdelijke grond erkend. Het beroep werd ongegrond verklaard en de werkgever kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.