Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
's-Hertogenbosch
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De moeder verzocht de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing van 3 mei 2022, gegeven door de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LDH), vervallen te verklaren. Deze aanwijzing betrof de omgangsregeling tussen de minderjarige en haar vader en de bijbehorende hulpverlening en psycho-educatie. De moeder stelde dat de aanwijzing geen meerwaarde meer had omdat de omgangsregeling al lange tijd niet werd nageleefd en zij niet gehoord was op haar verzoek tot intrekking.
Tijdens de mondelinge behandeling op 11 oktober 2023 waren de moeder, vader en een vertegenwoordiger van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland aanwezig; LDH was zonder bericht van verhindering niet verschenen. De kinderrechter stelde vast dat LDH de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht had genomen, onder meer doordat de moeder niet was gehoord en de motivering van de beslissing onvoldoende was. Tevens was onduidelijk welke gecertificeerde instelling in de stukken werd bedoeld, aangezien LDH was vervangen door Stichting Jeugdbescherming West Zeeland.
De omgang tussen vader en minderjarige komt niet overeen met de vastgestelde regeling, wat ook door de gecertificeerde instelling werd bevestigd. De kinderrechter riep de GI op om in overleg met de ouders en minderjarige de contactregeling te herzien en te bezien of begeleiding wenselijk is. De schriftelijke aanwijzing van 3 mei 2022 werd daarom vervallen verklaard en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad gesteld.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing van 3 mei 2022 wordt vervallen verklaard wegens schending van zorgvuldigheidsbeginselen en onduidelijkheid over de betrokken gecertificeerde instelling.