In deze kortgedingprocedure vordert eiser opheffing van het executoriaal beslag dat door gedaagde sub 1 is gelegd op de woning die eiser voor 50% bezit, samen met haar ex-partner gedaagde sub 2. Eiser stelt dat executie misbruik van recht oplevert omdat na voldoening van de hypotheekschuld niets overblijft voor andere schuldeisers.
De voorzieningenrechter constateert dat er taxatierapporten zijn die een marktwaarde van €425.000 en een executiewaarde van €319.000 toekennen aan de woning, met een hypothecaire schuld van €280.000. Eiser biedt €52.116,14 aan tegen opheffing van het beslag, maar gedaagde sub 1 toont een aannemelijk bod van een derde partij van €430.000, wat een hogere opbrengst betekent.
De rechter oordeelt dat de vordering afgewezen moet worden omdat het bod van eiser lager is en het bod van een derde partij aannemelijk is gemaakt, ook al is de makelaar verbonden aan de echtgenoot van gedaagde sub 1. De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.