Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:7449

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
26 oktober 2023
Zaaknummer
C/02/ 414263 KG ZA 23-463
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30p Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffen executoriaal beslag op woning mede-eigendom

In deze kortgedingprocedure vordert eiser opheffing van het executoriaal beslag dat door gedaagde sub 1 is gelegd op de woning die eiser voor 50% bezit, samen met haar ex-partner gedaagde sub 2. Eiser stelt dat executie misbruik van recht oplevert omdat na voldoening van de hypotheekschuld niets overblijft voor andere schuldeisers.

De voorzieningenrechter constateert dat er taxatierapporten zijn die een marktwaarde van €425.000 en een executiewaarde van €319.000 toekennen aan de woning, met een hypothecaire schuld van €280.000. Eiser biedt €52.116,14 aan tegen opheffing van het beslag, maar gedaagde sub 1 toont een aannemelijk bod van een derde partij van €430.000, wat een hogere opbrengst betekent.

De rechter oordeelt dat de vordering afgewezen moet worden omdat het bod van eiser lager is en het bod van een derde partij aannemelijk is gemaakt, ook al is de makelaar verbonden aan de echtgenoot van gedaagde sub 1. De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/ 414263 KG ZA 23-463
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding, gehouden op 24 oktober 2023
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.M.M. de Waal,
tegen

1.[gedaagde sub 1],

te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1],
advocaat: mr. A.P.E. de Brouwer,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2],
niet verschenen.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, en mr. E.J. de Bruin, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen
  • [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. A.M.M. de Waal;
  • namens [gedaagde sub 1], mr. A.P.E. de Brouwer. Tevens is de echtgenoot van [gedaagde sub 1], de heer [naam], verschenen.

1.De procedure

1.1.
Onderdeel van het procesdossier zijn de dagvaarding van 16 oktober 2023 met producties genummerd 1 tot en met 17 en de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 1] met producties genummerd 1 tot en met 19. In deze zaak heeft vandaag een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. De Waal heeft spreekaantekeningen voorgedragen. De aantekeningen van de zitting bevinden zich in het dossier. De rechter heeft daarna de zitting geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de rechter in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiser] wenst opheffing van het door [gedaagde sub 1] gelegde beslag op de door haar bewoonde woning. [eiser] is voor 50% eigenaar en de andere helft is eigendom van haar ex-partner [gedaagde sub 2]. Zij stelt dat executie van de woning misbruik van recht oplevert, omdat na voldoening van de hypothecaire schuld niets resteert voor andere schuldeisers.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde sub 2] verstek zal worden verleend. Er zijn geen vorderingen ingesteld jegens [gedaagde sub 2].
3.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Er zijn taxatierapporten uit december 2022 en van mei 2023 die beiden een marktwaarde toekennen aan de woning van
€ 425.000,00 en een executiewaarde van € 319.000,00. De hypothecaire schuld is
€ 280.000,00. Bij veilingexecutie zou dus € 39.000,00 resteren.
3.3.
[eiser] meent met haar bod om € 52.116,14 aan [gedaagde sub 1] te betalen tegen opheffing van het beslag, aangetoond te hebben dat de doorzetting van de executie misbruik van recht oplevert. Haar bod brengt voor [gedaagde sub 1] een betere opbrengst op dan doorzetting van de executie. [gedaagde sub 1] stelt dat er een bod is van een derde partij van € 430.000,00 maar [eiser] meent dat dit bod niet serieus is, maar een fabricaat is van [gedaagde sub 1] om opheffing van het beslag te voorkomen.
3.4.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Zowel de primaire als subsidiaire eis en ook de meer subsidiaire eis gaan telkens uit van betaling door [eiser] van een bedrag op het moment [gedaagde sub 2] zijn aandeel in de woning overdraagt aan [eiser]. Zij beschikt over een vonnis tegen [gedaagde sub 2] wat haar in staat stelt onafhankelijk van hem zijn aandeel over te nemen. De eis is echter zo geformuleerd, dat het aan [eiser] zelf is om te bepalen op welk moment die overdracht zal plaatsvinden. Alleen daarom al dient de vordering te worden afgewezen. Los daarvan geldt dat [gedaagde sub 1] aannemelijk heeft gemaakt dat wanneer de executie wordt aangezegd en de hypotheeknemer de executie overneemt, een onderhands bod zeer wel mogelijk is te achten. Het is in het algemeen de ervaring bij executoriale verkoop dat regelmatig onderhandse biedingen vóór de op handen zijnde veiling, plaatsvinden en hier heeft [gedaagde sub 1] een concreet onderhands bod aannemelijk gemaakt. Dat de aankondiging van een dergelijk bod van een makelaar komt die namens een nader te noemen meester handelt en dat die makelaar een relatie is van de echtgenoot van [gedaagde sub 1] maakt nog niet dat het aangekondigde bod als een constructie moet worden verworpen.
Bij een onderhandse verkoop voor een bedrag van € 430.000,00 resteert na voldoening van de hypotheeknemer € 150.000,00, waarvan de helft in het vermogen van [gedaagde sub 2] valt, zodat voor [gedaagde sub 1] een bedrag van (ongeveer)
€ 75.000,00 resteert. Dat is ongeveer de helft meer dan het bedrag zoals geboden door [eiser]. In die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat handhaving van het beslag en het in gang zetten van de executie misbruik van recht oplevert.
3.5.
De vordering wordt afgewezen. [eiser] wordt veroordeelt in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:
- griffierecht € 314,00
- salaris advocaat €
1.079,00
Totaal € 1.393,00

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verleent verstek tegen [gedaagde sub 2],
4.2.
wijst de vorderingen af,
4.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 1.393,00,
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. Van der Weide, voorzieningenrechter, en op 24 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 26 oktober 2023.
Waarvan proces-verbaal,
de griffier de rechter