ECLI:NL:RBZWB:2023:743
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen afname en verwerking DNA-profiel bij veroordeling wegens Opiumwet overtreding ongegrond verklaard
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat dit niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging vanwege de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden.
De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer, waarbij de advocaat van de veroordeelde en de officier van justitie zijn gehoord. De veroordeelde is niet verschenen. De officier van justitie stelde dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard omdat er een wettelijke grondslag bestaat voor de afname van DNA en dat uitzonderingen op de Wet DNA slechts in hoge uitzonderingen gelden.
De rechtbank overweegt dat het misdrijf, een overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet, een misdrijf is waarvoor DNA-onderzoek relevant kan zijn. Hoewel de veroordeelde stelt dat haar werkzaamheden onder de 'achterdeurproblematiek' vallen en zij niet eerder is veroordeeld, acht de rechtbank dit onvoldoende om een uitzondering toe te passen. De opgelegde voorwaardelijke taakstraf met proeftijd impliceert een kans op recidive.
De rechtbank concludeert dat het bezwaar ongegrond is en verklaart het bezwaar af te wijzen. Er zijn geen rechtsmiddelen tegen deze beslissing mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.