ECLI:NL:RBZWB:2023:7191

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
C/02/407173 / JE RK 23-403
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen na intrekking verzoek GI

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2010, die bij hun moeder wonen. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 15 oktober 2023.

De Raad voor de Kinderbescherming rapporteerde dat de oorspronkelijke redenen voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, met name de verstoorde communicatie tussen ouders en het gedrag van de minderjarigen, waaronder een posttraumatische stressstoornis en problematisch gamegedrag. De Raad gaf aan dat de minderjarigen gewend zijn geraakt aan de situatie en deels zelf beslissen.

De GI heeft echter het resterende deel van het verzoek tot verlenging ingetrokken, waardoor de rechtbank dit verzoek niet verder kan beoordelen. De kinderrechter wijst daarom het resterende deel van het verzoek af. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2023 door kinderrechter De Jong.

Uitkomst: Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen wegens intrekking door de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Middelburg
Zaaknummer: C/02/407173 / JE RK 23-403
Datum uitspraak: 20 oktober 2023
(nadere) beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het (verdere) procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 maart 2023 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
  • de brief van de Raad van 11 september 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 19 september 2023;
  • het corv-formulier van de GI van 3 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 3 oktober 2023;
  • het corv-formulier met bijlage van de GI van 5 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 5 oktober 2023;
  • het corv-formulier van de GI van 6 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 6 oktober 2023.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 oktober 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 15 oktober 2020 en tot 15 oktober 2021.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 maart 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het laatst verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 15 april 2023 en tot 15 oktober 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, met ingang van 15 oktober 2023 en tot 15 april 2024.

4.De (verdere) beoordeling

4.1.
De kinderrechter overweegt (verder) als volgt.
4.2.
De GI heeft op 19 september 2023 de brief van de Raad van 11 september 2023 bij de rechtbank ingediend. Uit die brief blijkt, kort samengevat, dat de Raad op verzoek van de GI van 31 juli 2023 heeft getoetst of de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden beëindigd. De Raad maakt zich nog steeds zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De redenen die ten grondslag liggen aan de ondertoezichtstelling, zijn nog steeds aanwezig. Het is de ouders niet gelukt om de ontbrekende/verstoorde communicatie te verbeteren, waardoor er geen gezamenlijk ouderschapsplan is gekomen. Hoewel er afspraken zijn gemaakt in de vorm van de in het gezinsplan genoemde zorgregeling, worden die afspraken niet altijd nagekomen. De Raad heeft niet de indruk en het vertrouwen dat hierin wel verandering zal komen als de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog langer wordt voortgezet. Hoewel de Raad het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gunt dat de ouders voldoende oog hebben voor hun belang en dat zij onbezorgd kunnen zijn, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewend geraakt aan de situatie en kunnen zij steeds meer zelf beslissen en handelen naar hun behoeften. De zorgen die nu zichtbaar zijn zien op het gedrag van [minderjarige 2] en de voorlopig vastgestelde posttraumatische stressstoornis (PTSS) en het gamegedrag van [minderjarige 1] . Voor [minderjarige 2] start [hulpverlening] , waar hij geholpen kan worden bij het uiten van zijn gevoelens en emoties. Hopelijk draagt dit bij aan het afnemen van zijn boosheid. [minderjarige 1] zou gebaat zijn bij hulpverlening, maar hij staat hier zelf (nog) niet voor open. Hierdoor kan de hulpverlening niet opgestart worden en kan hij daar op dit moment niet van profiteren. De Raad geeft aan de ouders mee dat zij mogelijk samen met het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en in samenwerking met [hulpverlening] een ingang bij [minderjarige 1] kunnen vinden. Positief is dat de ouders hierachter zouden staan. Op basis hiervan kan de Raad instemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen.
4.3.
De GI heeft, zoals blijkt uit het corv-formulier van 6 oktober 2023, het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingetrokken.
4.4.
Nu de GI het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft ingetrokken, kan dat niet verder onderzocht en beoordeeld worden. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI, zoals hiervoor vermeld, afwijzen.
4.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het (resterende deel van het) verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Hol, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.