Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 14 augustus 2021 vond een feest plaats in het ouderlijk huis van verdachte, waarbij ook aangeefster aanwezig was. Na gezamenlijk drinken en zoenen sliepen zij samen op een eenpersoonsmatras. Op 15 augustus 2021 vond een samenzijn plaats dat uit twee fasen bestond: een eerste fase waarin verdachte seksuele toenadering zocht maar stopte na afwijzing, en een tweede fase waarin verdachte opnieuw seksuele handelingen verrichtte.
De officier van justitie stelde dat verdachte in de tweede fase tegen de wil van aangeefster met zijn penis in haar vagina is gegaan en daar is gebleven, ondanks verbale en non-verbale signalen van verzet. De verdediging betoogde dat er sprake was van wederzijds goedvinden en dat het klaarkomen tegen de wil van aangeefster niet als verkrachting kan worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat dat verdachte in de tweede fase bewust tegen de wil van aangeefster seksueel binnendrong. De verklaring van verdachte en het WhatsApp-verkeer wezen erop dat verdachte niet kon afleiden dat het binnendringen niet gewenst was. De waarneming van de getuige en het gedrag van aangeefster na het incident ondersteunen het ontbreken van dwang bij het binnendringen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van verkrachting.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafrechtelijke veroordeling ontbrak. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 oktober 2023.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor verkrachting.