Op 17 november 2021 ontstond een conflict in de woning van verdachte te Vlissingen waarbij verdachte het slachtoffer verwondde aan het hoofd en een vinger. Het letsel aan de vinger betrof zwaar lichamelijk letsel met blijvend functieverlies. De rechtbank kon niet exact vaststellen hoe het letsel was toegebracht, maar achtte het scenario van verdachte aannemelijk dat hij tijdens een vlucht een brandblusser naar het slachtoffer gooide.
De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het gooien van de brandblusser zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan, wat neerkomt op voorwaardelijk opzet. De verdediging voerde noodweer aan omdat verdachte werd aangevallen in zijn eigen woning en handelde om zichzelf te verdedigen.
De rechtbank vond het scenario van de verdediging voldoende aannemelijk en kwalificeerde de gedragingen van het slachtoffer als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het gebruik van de brandblusser werd als proportioneel en subsidiariteit beoordeeld. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer.