ECLI:NL:RBZWB:2023:6541
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Hindriks
- Rechtspraak.nl
Afwijzing taxivoorziening woon-werkverkeer wegens ontbreken medische noodzaak
Eiser, werkzaam als taxichauffeur, vroeg bij het UWV een vergoeding aan voor taxivervoer voor woon-werkverkeer vanwege een visusprobleem dat autorijden in het donker onmogelijk maakt. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser medisch gezien in staat wordt geacht om met openbaar vervoer te reizen, dat als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij vanwege de beperkte beschikbaarheid van het openbaar vervoer op de gewenste tijden niet tijdig op het werk kan komen. De verzekeringsarts bevestigde de visusbeperkingen in het donker, maar vond dat openbaar vervoer nog wel mogelijk was. De arbeidsdeskundige concludeerde dat er geen medische noodzaak was voor een taxivoorziening.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom openbaar vervoer in deze situatie toereikend is en dat het UWV zich niet mag mengen in het re-integratieproces dat onder de Wet verbetering poortwachter valt. Desondanks vond de rechtbank dat de afwijzing terecht was, omdat de medische noodzaak ontbrak. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; eiser krijgt geen taxivoorziening.