Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
- De moeder van [eiser ] en Leystromen hadden tot 31 augustus 2022 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres 1] te [plaats 2]. De moeder is op 31 augustus 2022 overleden.
- Op 22 november 2022 heeft Leystromen [eiser ] aangeschreven met het volgende bericht:
- Op 7 februari 2023 is namens [eiser ] verzocht om de huurovereenkomst van zijn overleden moeder op zijn naam voort te zetten.
- Bij brief van 13 februari 2023 heeft de gemachtigde namens Leystromen aan de gemachtigde van [eiser ] bericht dat Leystromen daarmee niet instemt.
- [eiser ] is in het gehuurde blijven wonen.
- In een uittreksel uit de Basisregistratie Personen is vermeld dat [eiser ] op [geboortedag] 1990 is geboren. Over zijn adres in het verleden is hierin vermeld dat hij van 5 oktober 2010 tot 26 april 2012 ingeschreven heeft gestaan op het [adres 2] in [plaats 1] , hij van 31 mei 2017 tot 27 maart 2018 ingeschreven heeft gestaan op het [adres 3] in [plaats 3] , hij aansluitend tot 27 augustus 2018 ingeschreven heeft gestaan op het [adres 4] in [plaats 2] , hij vanaf
- Uit het mutatierapport van de politie van 3 juli 2020 blijkt dat tussen [eiser ] en zijn moeder zich incidenten hebben voorgedaan.
3.Het geschil
- voor recht te verklaren dat hij het hoofdverblijf in het gehuurde had alsmede dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding;
- voor recht te verklaren dat [eiser ] de huur ook na het verstrijken van de zes maanden termijn voortzet;
- Leystromen te veroordelen om het huurcontract op naam van [eiser ] te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte hiervan dat Leystromen in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen;
- met veroordeling in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten) te rekenen vanaf de 15e dag na dagtekening van het vonnis.