Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek tevens wijziging van eis
- de conclusie van dupliek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Tussen huurder en verhuurder bestond een huurovereenkomst voor een studio. Voorafgaand aan de huur sloot huurder een overeenkomst van opdracht met een BV voor werkzaamheden aan de studio, waarvoor hij € 1.203,95 betaalde. Huurder vorderde dit bedrag terug van de verhuurder, stellende dat het ging om onredelijke instapkosten en dat het beding nietig was op grond van artikel 7:264 BW Pro.
De rechtbank constateerde dat het bedrag niet aan de verhuurder, maar aan de BV was betaald. Omdat huurder de verkeerde partij had gedagvaard, werd de vordering afgewezen. De rechtbank overwoog dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de verhuurder misbruik had gemaakt van het identiteitsverschil tussen verhuurder en BV of dat sprake was van vereenzelviging, zoals vereist volgens het Rainbow-arrest.
Ook bleek niet dat de verhuurder onredelijk profiteerde van de afspraak tussen huurder en BV. De werkzaamheden waren uitgevoerd en er was een tegenprestatie. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten. De vordering tot vernietiging van het kwijtingsbeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Vordering tot terugbetaling instapkosten afgewezen wegens verkeerde gedaagde en ontbreken misbruik identiteitsverschil.