ECLI:NL:RBZWB:2023:588
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring bezwaar tegen afname en verwerking DNA-profiel na veroordeling Opiumwet
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat dit niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging vanwege de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden.
De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer, waarbij de veroordeelde niet is verschenen maar haar advocaat en de officier van justitie wel. De veroordeelde was veroordeeld voor een overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en kreeg een voorwaardelijke taakstraf opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat het misdrijf voldoet aan de wettelijke vereisten voor afname van DNA en dat geen uitzonderingssituatie geldt. De aard van het delict en de omstandigheden maken geen uitzondering mogelijk. Het feit dat de veroordeelde niet eerder is veroordeeld en geen recidive heeft gepleegd, weegt niet zwaar genoeg. Ook het eerdere aanbod van een strafbeschikking sluit afname niet uit.
Daarom wordt het bezwaar ongegrond verklaard en blijft het DNA-profiel van de veroordeelde in de databank opgenomen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.