ECLI:NL:RBZWB:2023:585
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeling voor Opiumwet-overtreding
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen de afname en verwerking van zijn DNA-profiel na een veroordeling wegens overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Hij voerde aan dat DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging vanwege de aard van het delict en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het ontbreken van recidive.
De rechtbank behandelde het bezwaar in besloten raadkamer en hoorde de gemachtigde advocaat en de officier van justitie. De veroordeelde was niet aanwezig. De officier van justitie stelde dat er een wettelijke grondslag bestond voor de DNA-afname en dat uitzonderingen op de Wet DNA slechts in hoge uitzondering gelden.
De rechtbank overwoog dat het delict waarvoor veroordeelde is veroordeeld voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat de uitzonderingsgrond niet is vervuld. Ook het ontbreken van eerdere veroordelingen en het feit dat veroordeelde een voorwaardelijke straf heeft gekregen, maken het risico op recidive niet uitgesloten. De rechtbank wees het bezwaar af en verklaarde het ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.