ECLI:NL:RBZWB:2023:5567

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 augustus 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
02-036443-21
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige hechtenis wegens ontbreken recidivegevaar na schorsing

Op 16 februari 2021 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte bevolen wegens ernstige bezwaren omtrent het samen met anderen produceren van synthetische drugs en voorbereidingshandelingen op 6 februari 2021. De voorlopige hechtenis was gebaseerd op de recidivegrond en werd op 13 augustus 2021 geschorst.

Op 28 juli 2023 verzocht verdachte om opheffing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en partijen gehoord. Gezien het tijdsverloop van bijna twee jaar sinds de schorsing, is het recidivegevaar niet meer voldoende concreet en acuut. Hoewel de productie van synthetische drugs een lucratieve bezigheid is met een kans op herhaling, ontbreken concrete aanwijzingen die ernstige vrees voor recidive rechtvaardigen.

Daarom wordt de recidivegrond niet langer aangenomen en is er geen grond meer voor voorlopige hechtenis. De rechtbank besluit de voorlopige hechtenis per direct op te heffen.

Uitkomst: De rechtbank heft de voorlopige hechtenis van verdachte op wegens het ontbreken van concreet en acuut recidivegevaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-036443-21

beslissing opheffing voorlopige hechtenis van de raadkamer van 08 augustus 2023

(artikel 69 Wetboek Pro van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte01] ,

geboren op [geboortedatum01] 1982 te [geboorteplaats01] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres01] , [postcode01] [plaats01] .
Raadsman mr. B. Vermeirssen.

Procedure

Op 28 juli 2023 is op de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift van de verdachte ontvangen dat strekt tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij beslissing van 16 februari 2021 de gevangenhouding van verdachte bevolen wegens het bestaan van ernstige bezwaren voor het samen met anderen produceren van synthetische drugs en voorbereidingshandelingen voor die productie op 6 februari 2021. De grond voor de voorlopige hechtenis is de recidivegrond. De voorlopige hechtenis is door de rechtbank bij beslissing van 13 augustus 2021 geschorst.
Ter beoordeling is of het recidivegevaar ook nu nog, bijna 2 jaar na het ingaan van de schorsing van de voorlopige hechtenis, voldoende concreet en acuut is. Het is een feit van algemene bekendheid dat de productie van synthetische drugs een lucratieve bezigheid is en dat daarin een kans op herhaling kan zijn gelegen maar dat is, gelet op het genoemde tijdsverloop, niet langer voldoende redengevend voor het aannemen van de recidivegrond. Er zijn op basis van het strafdossier onvoldoende concrete aanwijzingen die ernstig doen vrezen voor herhaling. Het recidivegevaar is niet meer voldoende concreet en acuut. Dit betekent dat de recidivegrond niet meer wordt aangenomen en dat de voorlopige hechtenis, bij gebreke van gronden, moet worden opgeheven.

Beslissing

De rechtbank:
heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van heden.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 08 augustus 2023 door:
mr. G.H. Nomes, voorzitter,
mr. R.J.H. Goossens en mr. E.J. Zuijdweg, rechters,
in tegenwoordigheid van M.A. de Waard-Nooitgedagt, griffier.