ECLI:NL:RBZWB:2023:5520
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting bedrijfspand op grond van Opiumwet
Verzoeker, eigenaar van een bedrijfspand waar een hennepkwekerij werd aangetroffen, maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester tot sluiting van het pand voor zes maanden. Na wijziging van de ingangsdatum vroeg hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het spoedeisend belang onvoldoende was onderbouwd. Verzoeker stelde dat de kantoorruimte noodzakelijk was voor zijn bedrijfsvoering en rust vanwege zijn leeftijd en medische klachten, maar kon niet aannemelijk maken dat deze ruimte de enige plek was voor deze doeleinden. Ook een financieel belang, zoals derving van huurinkomsten, was onvoldoende om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.
De rechter concludeerde dat geen sprake was van een situatie die onmiddellijke voorziening vereiste en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van het bedrijfspand wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.