ECLI:NL:RBZWB:2023:548
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring bezwaar tegen opname DNA-profiel na veroordeling Opiumwet
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel na een veroordeling wegens overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Zij stelde dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor de opsporing en vervolging vanwege de aard van het delict en bijzondere omstandigheden, waaronder haar werkzaamheden die onder de 'achterdeurproblematiek' zouden vallen.
De rechtbank heeft het bezwaar inhoudelijk behandeld en geoordeeld dat het misdrijf voldoet aan de vereisten voor afname van DNA-materiaal. De rechtbank erkent dat het een atypisch delict betreft, maar acht dit onvoldoende om een uitzondering op de Wet DNA toe te passen. De rechtbank weegt mee dat de veroordeelde een voorwaardelijke taakstraf met proeftijd heeft gekregen, wat wijst op een reëel recidivegevaar.
Verder is overwogen dat het feit dat de veroordeelde eerder een strafbeschikking heeft geweigerd en de zaak aan de rechter heeft voorgelegd, niet betekent dat het DNA-profiel niet mag worden opgenomen. De rechtbank concludeert dat het bezwaar ongegrond is en bevestigt de opname van het DNA-profiel in de databank.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.