ECLI:NL:RBZWB:2023:5371
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Eiseres, werkzaam als kraamverzorgende, viel in november 2016 uit wegens diverse gezondheidsklachten. In 2018 werd zij voor 35,04% arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een WIA-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling in 2020 stelde het UWV dat zij slechts 32% arbeidsongeschikt was, waardoor haar uitkering werd beëindigd per 12 juli 2021. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen, met name aan handen en polsen, onderschat waren en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) handhaafde de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2021, waarbij eiseres geschikt werd geacht voor licht administratief werk. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was eiseres niet persoonlijk onderzocht door de verzekeringsarts b&b. De door eiseres overgelegde medische stukken waren meegenomen in de beoordeling en er waren geen objectiveerbare afwijkingen die haar beperkingen zouden rechtvaardigen.
Daarnaast stelde het UWV functies vast die eiseres zou kunnen verrichten, zoals receptionist en administratief medewerker. Eiseres voerde aan dat deze functies ongeschikt waren vanwege haar klachten, maar de rechtbank vond dat het UWV terecht had geoordeeld dat zij deze functies kon uitvoeren. De mate van arbeidsongeschiktheid werd op 32% vastgesteld, onder de grens van 35% die recht geeft op een WIA-uitkering. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en zij kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.