Belanghebbende, woonachtig in België, kreeg voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een verzuimboete van €385 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze boete nadat belanghebbende niet was verschenen bij de zitting.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende de aangifte pas op 10 mei 2021 indiende, ruim na de gestelde termijn. Hoewel belanghebbende stelde dat hij door Covid-19 beperkingen en communicatieproblemen met de Belastingtelefoon niet tijdig kon reageren, was hij niet geslaagd in het bewijs dat hij alle redelijke zorg had betracht om tijdig aangifte te doen (avas). De hoorplicht was volgens de rechtbank niet geschonden omdat de inspecteur geen aanleiding had om te twijfelen aan de ontvangst van de uitnodiging.
Gezien de omstandigheden vond de rechtbank een boete van €60 passend en matigde de boete dienovereenkomstig. Tevens werd het griffierecht van €50 aan belanghebbende vergoed. De uitspraak is onherroepelijk na het verstrijken van de beroepstermijn van zes weken.