ECLI:NL:RBZWB:2023:5268
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens te hoge vaststelling door heffingsambtenaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020, die was vastgesteld op €420.000. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde en legde op basis daarvan aanslagen OZB en watersysteemheffing op. Belanghebbende betwistte de waarde en stelde dat de woning maximaal €375.000 waard was.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van het taxatierapport van de heffingsambtenaar, waarin een waarde van €393.000 werd genoemd, gebaseerd op drie referentiewoningen. De rechtbank liet één referentiewoning buiten beschouwing vanwege de verkoopdatum die te ver van de waardepeildatum lag. De gemiddelde prijs per eenheid van de overgebleven referentiewoningen was lager dan die van de woning, wat duidt op een te hoge waardebepaling.
Belanghebbende kon zijn lagere waarde niet voldoende onderbouwen met verifieerbare gegevens. Omdat geen van de partijen een aannemelijke waarde had vastgesteld, stelde de rechtbank de WOZ-waarde in goede justitie vast op €385.000. De aanslag OZB werd dienovereenkomstig verminderd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed. Een verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd naar €385.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.