Betrokkene is in november 2019 veroordeeld voor medeplegen van meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal, valsheid in geschrift, oplichting en mishandeling. De ontnemingsprocedure over het wederrechtelijk verkregen voordeel loopt parallel aan het hoger beroep dat nog niet is afgerond.
De officier van justitie vordert ontneming van €196.343, gebaseerd op een politieonderzoek. De verdediging betwist de datum van wilsonbekwaamheid van de benadeelde en daarmee de grondslag voor de ontnemingsvordering, stelt dat contante opnames en schenkingen niet wederrechtelijk zijn en verzoekt subsidiair om matiging van het bedrag of afwijzing van de vordering.
De rechtbank oordeelt dat de datum van wilsonbekwaamheid van 1 januari 2014 rechtsgeldig is vastgesteld en dat het rapport van de politie een juiste grondslag biedt voor het bedrag. De contante opnames en schenkingen worden als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 7 jaar wordt het bedrag met €5.000 verminderd tot €191.343. Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen omdat het hoger beroep geen invloed heeft op deze procedure.
De rechtbank legt betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting op en bepaalt de duur van gijzeling bij niet-betaling. De uitspraak is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 27 juli 2023.