Op 11 mei 2022 werd verdachte samen met anderen aangehouden in een busje waarin contant geld werd aangetroffen. Verdachte verklaarde dat het geld een legale herkomst had, onderbouwd met bewijsstukken. De rechtbank oordeelde dat deze verklaring tegenstrijdig en niet verifieerbaar was, waardoor het vermoeden van witwassen werd bevestigd.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf en veroordeelde hem voor opzetwitwassen. Medeverdachten werden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van hun betrokkenheid.
De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 27 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast werd het geldbedrag van €14.045,- verbeurd verklaard.
De rechtbank benadrukte de ontwrichtende werking van witwassen op de samenleving en het belang van een strafrechtelijke reactie. De verklaring van verdachte over de herkomst van het geld werd niet geloofd vanwege tegenstrijdigheden en het ontbreken van concrete bewijsstukken.