Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 18 juli 2023 de strafzaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van de benadeelde partij. De zaak draaide om tegenstrijdige verklaringen van verdachte en aangeefster, waarbij de rechtbank moest beoordelen of het bewijs voldoende was om tot een bewezenverklaring te komen.
De officier van justitie erkende dat er wettig bewijs was, zoals het aantreffen van het DNA van de aangeefster op de hondenriem van verdachte, maar vond het bewijs niet overtuigend genoeg vanwege het ontbreken van letsel, het ontbreken van paniekreacties direct na het incident en het ontbreken van ondersteunend bewijs zoals getuigenverklaringen of sporen op de locatie. De verdediging voerde aan dat het DNA ook door secundaire overdracht kon zijn ontstaan en wees op diverse contra-indicaties zoals het ontbreken van letsel, geen geluiden van hulpgeroep en atypisch gedrag van de aangeefster na het incident.
De rechtbank overwoog dat de verklaring van de aangeefster als enige getuige onvoldoende was zonder ondersteunend bewijs dat niet te ver verwijderd was van de beschuldiging. Het DNA-spoor bood geen duidelijkheid over de wijze van overdracht en de verklaring van de moeder van de aangeefster over paniek werd niet bevestigd door het telefoononderzoek. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om verdachte schuldig te verklaren en sprak hem vrij.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding, maar aangezien verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank haar niet-ontvankelijk in de vordering. De kosten van verdachte werden begroot op nihil. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. T.M. Brouwer.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende overtuigend bewijs ondanks aanwezigheid van DNA-spoor.