Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[naam eisers] , te [plaatsnaam 1] (eisers sub 1),
2.[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] (eiser sub 2),
buitenplanse kruimelgevallenregeling de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en in beide situaties de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het voorgaande betekent dat toepassing van de kruimelgevallenregeling niet onrechtmatig is, enkel omdat ook binnenplans afgeweken had kunnen worden van het bestemmingsplan ten behoeve van de betrokken ontwikkeling.
ten behoeve van de bescherming vaneen dozijn bijenkasten, of omschrijvingen met dezelfde strekking. Vergunninghouder heeft ter zitting ook bevestigd dat hij niet de intentie had om een vergunning voor de bijenkasten aan te vragen, omdat deze volgens hem vergunningsvrij zijn. Het college had het plaatsen van deze bijenkasten daarom niet hoeven te betrekken in zijn besluitvorming. De rechtbank overweegt daartoe dat uit vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1765) blijkt dat in het stelsel van de Wabo geen plaats is voor een beslissing over een omgevingsvergunning, anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is (Kamerstukken 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 37). De vraag of een omgevingsvergunning voor bijenkasten nodig was kan dus niet in deze procedure aan de orde komen, nu vergunninghouder geen daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend. Of voor deze aspecten een omgevingsvergunning nodig was, is daarom een handhavingskwestie.