ECLI:NL:RBZWB:2023:4641

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 juni 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
10247503 CV EXPL 22-3912 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing hoofdsom lening en wettelijke rente, afwijzing incassokosten wegens ontbreken aanmaningsbrief

In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van een geldlening met bijbehorende rente en incassokosten van gedaagde. Na een tussenvonnis is eiser in de gelegenheid gesteld zijn vordering nader te onderbouwen, met name de hoofdsom, het moment van opeisbaarheid en de contractspartijen.

Eiser heeft bij akte nadere uitleg gegeven over de samenstelling van de hoofdsom, het resterende saldo volgens bankafschriften, het moment van opeisbaarheid en de betrokken rekeninghouders. Gedaagde heeft niet gereageerd op deze nadere onderbouwing.

De rechtbank oordeelt dat de hoofdsom van €3.324,22 toewijsbaar is, evenals de wettelijke (consumenten)rente vanaf 1 augustus 2022. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat eiser niet heeft gesteld of bewezen dat een kosteloze aanmaningsbrief is verzonden, zoals vereist volgens artikel 6:96 lid 6 BW Pro.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten, waaronder dagvaardingskosten, griffierecht en gemachtigdensalaris. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.324,22 met wettelijke rente en proceskosten, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 10247503 CV EXPL 22-3912
vonnis d.d. 28 juni 2023
inzake
[eiser01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: [naam01] , werkzaam ten kantore van Juristu Incassodiensten B.V. te Schiphol,
tegen
[gedaagde01],
wonende te ( [postcode01] ) [plaats01] aan het adres [adres01] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser01] ” en “ [gedaagde01] ”.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis in deze zaak van 5 april 2022 met de daarin genoemde processtukken;
b. de akte van 3 mei 2023 met producties.

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij voornoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter [eiser01] in de gelegenheid gesteld:
- de gevorderde hoofdsom nader te onderbouwen;
- zich uit te laten over het moment van opeisbaarheid van de lening, en;
- zich uit te laten over de contractspartijen bij de geldlening in samenhang met de op de rekeningafschriften genoemde rekeninghouders.
2.2
Bij akte van 3 mei 2023 heeft [eiser01] nadere uitleg gegeven over de wijze waarop de hoofdsom is opgebouwd en aangegeven dat uit de bankafschriften volgt wat het resterende saldo van de lening is. Ook is hij ingegaan op het moment van opeisbaarheid. Tot slot heeft hij uitleg gegeven over de verschillende rekeninghouders, die op de bankafschriften zijn genoemd. Hij blijft bij zijn standpunt dat de overeenkomst tussen hem in persoon en [gedaagde01] in persoon is gesloten.
2.3
[gedaagde01] is in de gelegenheid gesteld op de voornoemde akte te reageren, maar is daartoe niet overgegaan.
2.4
Gelet op de onweersproken stellingen van [eiser01] met betrekking tot de op bouw van de hoofdsom, de hoedanigheid van de in de bankafschriften opgenomen rekeninghouders en het moment van opeisbaarheid van de lening, is de kantonrechter van oordeel dat de hoofdsom toewijsbaar is. Het bedrag van € 3.324,22 zal dan ook worden toegewezen.
2.5
[eiser01] vordert vervolgens een bedrag van € 553,48 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten. Nu [eiser01] zich op het standpunt stelt dat de geldlening tussen hem en [gedaagde01] in privé is gesloten, moet voor de toewijzing van een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten worden gesteld en onderbouwd dat [eiser01] een kosteloze aanmaningsbrief heeft verstuurd aan [gedaagde01] , zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Hiervan is niet gebleken, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
2.6
De gevorderde wettelijke (consumenten)rente zal worden toegewezen als gevorderd.
2.7
[gedaagde01] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van [eiser01] worden deze begroot op een bedrag van € 129,74 aan dagvaardingskosten, een bedrag van € 244,00 aan griffierecht en een bedrag van € 528,00 aan gemachtigdensalaris (2 punten à € 264,00 voor de dagvaarding en de conclusie van repliek). Voor de akte van [eiser01] wordt geen salaris toegekend, nu deze informatie al in de dagvaarding had moeten worden opgenomen.
2.8
De nakosten worden toegewezen als in het dictum vermeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde01] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser01] te betalen een bedrag van € 3.324,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde01] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser01] tot op heden begroot op € 901,74, daarin begrepen een bedrag van € 528,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser01] ;
veroordeelt [gedaagde01] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 132,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2023.