Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift
- het telefonisch horen van verzoeker
- het aangevulde verzoekschrift.
2.Het verzoek en de beoordeling daarvan
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker heeft bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verzoek ingediend om conservatoir bewijsbeslag te mogen leggen op speelautomaten in een speelautomatenhal van belanghebbende, een exploitant van een casino. Verzoeker stelt dat de speelautomaten mogelijk gemanipuleerd zijn, waardoor het winstuitkeringspercentage lager is dan wettelijk vereist, en dat hierdoor onrechtmatig handelen, wanprestatie en bedrog aan de orde zijn.
De voorzieningenrechter overweegt dat conservatoir bewijsbeslag een ingrijpend middel is dat aanzienlijke hinder kan veroorzaken. Daarom moet de aannemelijkheid van het gestelde onrechtmatig handelen voldoende onderbouwd zijn. Uit de stukken blijkt dat het door verzoeker gestelde uitkeringspercentage van 64,72% hoger is dan het wettelijk vereiste minimum van 60%, en dat de door verzoeker overgelegde e-mail van een onbekende afzender onvoldoende bewijs vormt.
Ook de stelling dat de software van de speelautomaten gewijzigd kan worden en daardoor niet meer aan het toegelaten model voldoet, wordt niet aannemelijk geacht. Verder is niet gesteld dat de instructiebrief zich op de door verzoeker bespeelde automaten bevindt. Wanprestatie is niet aannemelijk omdat er geen overeenkomst bestaat tussen partijen die daartoe aanleiding geeft. Bedrog is niet gesteld met feiten of omstandigheden die dat aannemelijk maken.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de noodzaak van het bewijsbeslag onvoldoende aannemelijk is gemaakt en dat verzoeker geen rechtmatig belang heeft bij het verlof. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van onrechtmatige daad, wanprestatie of bedrog.