Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
(TUL)
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
02/000099-22feit 1:[slachtoffer01] en [slachtoffer02] heeft beledigd;
feit 2:Een kledingkast van [slachtoffer01] en [slachtoffer02] heeft vernield;
feit 2:[slachtoffer03] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3:[slachtoffer04] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer01] (mede namens [slachtoffer02] ) van 28 december 2021, pagina 8 tot en met 11 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2021349902 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 58;
- het proces-verbaal van ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, pagina 24 tot en met 25 van voornoemd eindproces-verbaal;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant02] betreffende de kapotte kast en de beledigingen, pagina 8 tot en met 11 van voornoemd eindproces-verbaal;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2023.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De vordering tot tenuitvoerlegging
- de voorwaardelijke straf van 40 uur taakstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 14 augustus 2020;
- de voorwaardelijke straf van twee weken gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 16 januari 2019.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
toebehoort, vernielen
02/004027-22
een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden: