Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
“Een vrijstaande woning met zwembad, cv, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden”. In het taxatierapport onder M. Publiekrechtelijke aspecten staat:
2.Bijzonderheden
3.Het geschil
“aankoop van ouders”.[gedaagde01] stelt dat zij daarop bij het Kadaster het eigendomsbewijs en de betreffende kadastrale gegevens heeft opgevraagd. Daarin stond vermeld dat het object is ontstaan op 24 juni 1994. Het object werd daarin omschreven als
“wonen-erf-tuin”en onder het kopje Publiekrechtelijke Beperkingen stond vermeld
“Er zijn geen beperkingen bekend in de gemeentelijke beperkingenregistratie en de kadastrale registratie”.Uit de kadastrale kaart van 22 augustus 2007 kon worden afgeleid dat het adres [adres01] een afzonderlijk perceel is met [kadastrale aanduiding01] . [gedaagde01] stelt dat zij ook het BAG heeft geraadpleegd. Daarin was en is nog steeds opgenomen dat de woning vanaf 10 mei 1996 de status heeft van
“Verblijfsobject in gebruik”met als gebruiksdoel
“woonfunctie”.
“woondoeleinden”te twijfelen en kan [gedaagde01] niet worden verweten dat zij geen verder onderzoek naar de planologische bestemming van de woning heeft verricht. Dat de waardebepaling van de woning geen uitputtend planologisch onderzoek bevat, volgt bovendien uit het bij het taxatierapport van 23 augustus 2007 bijbehorende en bijgevoegde ‘Normblad Taxatierapport financiering woonruimte’.