ECLI:NL:RBZWB:2023:4112

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juni 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
22/3833
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 Gemeentewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens vermeende verhuur voertuig

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €43,60 omdat tijdens een controle met een scanauto werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende voerde aan dat de auto ten tijde van de naheffingsaanslag verhuurd was en dat de aanslag daarom aan de huurder moest worden opgelegd.

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 225, vijfde lid van de Gemeentewet de houder van het voertuig als parkeerder wordt aangemerkt tenzij een huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig ten tijde van het parkeren aan een huurder was verhuurd. Belanghebbende heeft een huurovereenkomst overgelegd die liep tot 2 juni 2022 en een foto van een overeenkomst met een verlengingsdatum tot 22 juni 2022, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto op 14 juni 2022 daadwerkelijk verhuurd was.

Het whatsappgesprek dat belanghebbende overlegt, is onvoldoende bewijs omdat het niet duidelijk is dat het over de betreffende auto gaat of dat de gesprekspartner de huurder is. De verlengingsdatum in de huurovereenkomst is niet gedateerd en niet onderbouwd met een concrete overeenkomst. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/3833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 juli 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 10 mei 2023 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 14 juni 2022 omstreeks 20:57 uur geparkeerd aan de [straatnaam] te [plaats 2]. Tijdens de controle met een scanauto is op dat moment geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 43,60.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan haar is opgelegd, omdat belanghebbende de auto ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag verhuurd had. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag aan de huurder moet worden opgelegd. De heffingsambtenaar vond dat belanghebbende er niet in was geslaagd te bewijzen dat de auto ten tijde van het parkeren verhuurd was.
4.1.
De rechtbank overweegt dat in beginsel de naheffingsaanslag opgelegd dient te worden aan degene die het voertuig heeft geparkeerd. Artikel 225, vijfde lid van de Gemeentewet bepaalt dat als er geen voldoening van parkeerbelasting heeft plaats gevonden de houder van het voertuig wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Dit blijft buiten toepassing als er een aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, en in welk geval de huurder dus wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
4.2.
Belanghebbende heeft bij haar bezwaar een huurovereenkomst overgelegd waarin is vermeld dat de auto wordt verhuurd tot en met 2 juni 2022. Daarnaast heeft belanghebbende een whatsappgesprek overgelegd waaruit volgens haar zou moeten blijken dat de auto langer verhuurd is dan 2 juni 2022.
In beroep overlegt belanghebbende een foto van een huurovereenkomst, die inhoudelijk gelijk is aan de eerdere in bezwaar overgelegde huurovereenkomst met de uitzondering dat bij de ‘verlengd tot’-regel 22 juni 2022 is ingevuld.
De bewijslast dat de auto gedurende het tijdstip van de controle verhuurd was rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto op dat moment verhuurd was. De rechtbank kan uit het whatsappgesprek niet opmaken dat dat gesprek over de betreffende auto gaat. En voorts niet dat de huurder dat gesprek met belanghebbende voert. Wat opvalt is dat de huurder de ander “broeder” noemt terwijl belanghebbende haar naam op het beroepschrift door “mvr” laat voorafgaan.
Als het whatsappgesprek al over de auto zou gaan, blijkt daaruit voorts niet dat rond de oorspronkelijke einddatum van de huur al zou zijn besproken dat de huur zou worden verlengd. Bovendien wordt in het gesprek op 15 juni gesproken over een verlenging van 3 dagen. Dat komt neer op een uiterlijke datum van 18 juni en dat sluit niet aan bij de datum van 22 juni 2022 die wordt genoemd in de in beroep overgelegde huurovereenkomst. Daarnaast is de foto van de huurovereenkomst die in beroep is overgelegd gelijk aan de huurovereenkomst die in bezwaar is overgelegd, met uitzondering van de datum 22 juni 2022 bij de ‘verlengd tot’-datum. De huurovereenkomst bevat ook geen dagtekening. Uit de huurovereenkomst is voorts niet op te maken wanneer tussen partijen de verlenging van de huurtermijn zou zijn overeengekomen. De enkele toevoeging van de verlengingsdatum is volgens de rechtbank niet voldoende om aan de bewijslast te voldoen dat de auto op het tijdstip van de controle is verhuurd. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting dan ook terecht aan de belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier op 14 juni 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.