ECLI:NL:RBZWB:2023:4112
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens vermeende verhuur voertuig
Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €43,60 omdat tijdens een controle met een scanauto werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende voerde aan dat de auto ten tijde van de naheffingsaanslag verhuurd was en dat de aanslag daarom aan de huurder moest worden opgelegd.
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 225, vijfde lid van de Gemeentewet de houder van het voertuig als parkeerder wordt aangemerkt tenzij een huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig ten tijde van het parkeren aan een huurder was verhuurd. Belanghebbende heeft een huurovereenkomst overgelegd die liep tot 2 juni 2022 en een foto van een overeenkomst met een verlengingsdatum tot 22 juni 2022, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto op 14 juni 2022 daadwerkelijk verhuurd was.
Het whatsappgesprek dat belanghebbende overlegt, is onvoldoende bewijs omdat het niet duidelijk is dat het over de betreffende auto gaat of dat de gesprekspartner de huurder is. De verlengingsdatum in de huurovereenkomst is niet gedateerd en niet onderbouwd met een concrete overeenkomst. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.