De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 1 juni 2023 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van twee feiten: het stelen van een portemonnee met pasjes samen met anderen (feiten 1) en het stelen van een telefoon (feit 2). Verdachte was niet aanwezig bij de zitting, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman.
De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander een portemonnee en diverse pasjes van de benadeelde had weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. Voor het tweede feit, de diefstal van een telefoon, was onvoldoende bewijs aanwezig, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee maanden op voor de zakkenrollerij, mede vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats van verdachte en het feit dat het delict in vereniging was gepleegd. De benadeelde partij die schadevergoeding vorderde voor het tweede feit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. Het vonnis werd uitgesproken op 15 juni 2023 door de meervoudige kamer te Breda.