Uitspraak
2.De verdere beoordeling
€ 57,=
6 juni 2023pro forma.
3.De beslissing
6 juni 2023pro forma.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak vordert de moeder dat de vader een onderhoudsbijdrage betaalt voor hun minderjarige kind, geboren op 23 juni 2022. De kern van het geschil betreft de wijze van bepaling van de behoefte van het kind: of dit moet gebeuren op basis van het gezamenlijke netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders of op basis van het gemiddelde van de behoefte berekend per ouder.
De rechtbank stelt vast dat de ouders slechts circa één maand na de geboorte van het kind in gezinsverband hebben samengewoond. Deze korte periode is onvoldoende om te spreken van een welvaartsniveau gevormd door het gezamenlijke inkomen. Daarom wordt de behoefte van het kind berekend volgens de methode voor minderjarigen die niet in gezinsverband met beide ouders hebben gewoond, namelijk het gemiddelde van de behoefte berekend op basis van het inkomen van elke ouder afzonderlijk.
De rechtbank berekent de behoefte van het kind op €247 per maand, waarbij rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget en de draagkracht van beide ouders. Met een zorgkorting van 15% wordt de kinderbijdrage van de vader vastgesteld op €153 per maand, ingaande 23 november 2022, de datum van het verzoek. Een eerder verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de moeder dit had ingetrokken.
De beslissing tot vaststelling van de kinderbijdrage is uitvoerbaar bij voorraad. Beslissingen over gezag en definitieve zorgregeling zijn aangehouden in afwachting van een eindrapportage van het jeugd(hulpverlening)straject.
Uitkomst: De vader moet een kinderbijdrage van €153 per maand betalen vanaf 23 november 2022.