Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
ZIJ WIENS NA(A)M(EN) IN REDELIJKHEID NIET KUNNEN WORDEN ACHTERHAALD EN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN STAANDE EN GELEGEN TE [adres],
[gedaagde sub 4],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 9 november 2022 met alle daarin vermelde stukken,
- de aan de zijde van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in het geding gebrachte aktes met producties respectievelijk genummerd 5 t/m 9 en 10 en 11,
- de mondelinge behandeling gehouden op 29 maart 2023 en de hiervan gemaakte zittingsaantekeningen.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 10.000,00; e.e.a. zoals hierna vermeld in het dictum.
5.De beslissing
€ 200,00 per dag of deel daarvan, met een maximum van € 10.000,00, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden daarmee in verzuim zijn;