Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten.
Overwegingen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres ontving bijstandsuitkering van juli 2003 tot april 2019. Na overlijden van haar moeder in juli 2018 erfde zij in februari 2019 een bedrag van € 22.333,33. Het college trok de bijstand in vanwege het niet melden van deze erfenis en vorderde terug te veel ontvangen bijstand over de periode juli 2018 tot april 2019.
Eiseres maakte bezwaar tegen de terugvordering, waarbij de rechtbank in december 2020 oordeelde dat het college de erfbelasting niet had verrekend in de berekening. Het college nam daarop een nieuw besluit in juli 2021 en een gewijzigd besluit in augustus 2021 met een lager terugvorderingsbedrag van € 9.286,89.
Eiseres voerde aan dat zij door fouten van het college te laat bezwaar kon maken en dat dit gevolgen had voor de terugvordering. De rechtbank stelde vast dat het eerdere besluit niet meer gehandhaafd werd en verklaarde het beroep daarop niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard omdat de berekening juist was.
De rechtbank kende vergoeding toe van het griffierecht en reiskosten aan eiseres, maar wees een gevraagde dwangsom af omdat het college binnen redelijke termijn had beslist ondanks vertraging door personeelsgebrek.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde terugvorderingsbesluit is ongegrond verklaard en het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk.