Uitspraak
1.De procedure
- het mondeling antwoord waarbij producties zijn overgelegd;
- de conclusie van repliek met producties;
- de mondelinge dupliek.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Jones, een binnenvaartbedrijf, voerde in opdracht van de gedaagde meerdere transporten uit tussen 25 juli en 5 augustus 2022. Voor het laatste transport factureerde Jones een bedrag van €4.500 exclusief btw en een overligvergoeding van €2.598,60 exclusief btw. De gedaagde betaalde een deel van de factuur niet, met name een bedrag van €234,57 inclusief btw bleef onbetaald.
Jones vorderde betaling van dit bedrag vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. De gedaagde erkende dat de overligvergoeding berekend moest worden over de grootste inzinking van het schip (711 ton), maar stelde dat het redelijker was om deze vergoeding te baseren op de daadwerkelijk vervoerde tonnage (650 ton in plaats van de afgesproken 700 ton). Tevens betwistte de gedaagde de hoogte van het openstaande bedrag.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep van de gedaagde op de redelijkheid en billijkheid onvoldoende was onderbouwd en dat Jones de overeenkomst correct was nagekomen. Het verweer over de hoogte van het bedrag faalde omdat de gedaagde de btw niet had meegeteld. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €234,57 inclusief btw, wettelijke rente vanaf 10 augustus 2022, en €40 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werden de proceskosten van €396,41 aan de zijde van Jones toegewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €234,57 inclusief btw, wettelijke rente en incassokosten wegens onbetaalde overligvergoeding.