Belanghebbende exploiteerde samen met zijn zus een agrarisch bedrijf dat na zijn overlijden in 2016 werd voortgezet door zijn zus als eenmanszaak. De inspecteur stelde de aanslagen inkomstenbelasting en Zvw hoger vast dan door belanghebbende was aangegeven en weigerde de toepassing van artikel 3.62 van de Wet IB 2001, die de doorschuiffaciliteit regelt voor voortzetting van een onderneming na overlijden.
De rechtbank beoordeelde of de onderneming na het overlijden daadwerkelijk werd voortgezet. Gelet op de werkzaamheden van de zus en de continuïteit van het bedrijf, concludeerde de rechtbank dat sprake was van voortzetting van de onderneming. De inspecteur had daarom ten onrechte artikel 3.62 Wet IB 2001 geweigerd toe te passen.
Hierdoor werden de aanslagen te hoog vastgesteld. De rechtbank vernietigde de uitspraken op bezwaar, stelde de aanslagen en de belastingrente overeenkomstig de aangifte van belanghebbende vast en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbenden.