ECLI:NL:RBZWB:2023:2948
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende onderbouwing kosten
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor het niet betalen van parkeerbelasting op 23 november 2011. De heffingsambtenaar legde een bedrag van € 66,80 op, bestaande uit € 2,30 belasting en € 64,50 aan kosten. Belanghebbende betwistte alleen de hoogte van de kostenposten en stelde dat deze niet controleerbaar waren en dat de parkeerverordening onverbindend was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de berekening van de kosten, opgesplitst in dertien posten die geloofwaardig waren. Belanghebbende had dit niet concreet gemotiveerd betwist. Wel achtte de rechtbank het redelijk om de kosten te verminderen tot € 59,44, gebaseerd op een herberekening door de heffingsambtenaar zelf.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de naheffingsaanslag vast op € 61,74. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 28 april 2023.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt verminderd tot € 61,74 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.