ECLI:NL:RBZWB:2023:276
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente. De aanslag betrof een bedrag van €66,80, waarvan €2,30 belasting en €64,50 kosten. Belanghebbende stelde dat hij contant had betaald bij de parkeerautomaat, maar kon dit niet bewijzen.
De heffingsambtenaar voerde aan dat contante betaling niet mogelijk was en dat uit de gegevens van het parkeerbedrijf bleek dat de auto niet was aangemeld bij de parkeerautomaat op het tijdstip van de controle. De rechtbank vond de verklaring van de heffingsambtenaar betrouwbaar en oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor betaling.
Ook het bezwaar tegen aanmaningskosten kon niet via deze procedure worden behandeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de naheffingsaanslag in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.