Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de ten laste gelegde verkrachting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 april 2023 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van aangeefster. De zaak draaide om een incident in maart 2019 waarbij de verklaringen van aangeefster en verdachte op essentiële punten verschilden. Aangeefster stelde dat verdachte haar met dwang had gepenetreerd, terwijl verdachte ontkende penetratie met de penis en stelde dat hij stopte toen aangeefster aangaf dat het pijn deed.
De rechtbank stelde vast dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming begonnen en dat verdachte met zijn vingers in de vagina van aangeefster is geweest, wat ook door verdachte werd erkend. De kernvraag was of sprake was van dwang bij deze handelingen. De rechtbank vond het aangeleverde steunbewijs onvoldoende om de verklaring van aangeefster over dwang te bevestigen. De getuigenverklaring van de stiefmoeder van aangeefster was op cruciale punten tegenstrijdig en bood geen duidelijkheid.
Daarnaast kon de rechtbank geen direct causaal verband vaststellen tussen de psychiatrische klachten van aangeefster en het incident. Ook de medische informatie en de context van de relatie, inclusief bekkenbodemproblemen en begripvol gedrag van verdachte, ondersteunden de lezing van verdachte. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van verkrachting.
De uitspraak benadrukt het belang van steunbewijs bij zedenzaken en de zorgvuldige weging van tegenstrijdige verklaringen. De rechtbank concludeerde dat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kon worden, wat leidde tot vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van verkrachting.